Rubicon – What Starts Ends


Een van de redenen waarom ik niet van voorprogramma’s houdt, heeft te maken met het feit dat ze vaak qua muziekstijl niet passen bij de band waar je voor komt. Zo ook op 16 maart 1993. We zijn onderweg naar Gent. In De Vooruit treedt Fish op. De voormalig zanger van Marillion. Voordat de Schot het podium betreedt, warmt Rubicon de zaal op. Oftewel Fields Of The Nephilim zonder zanger en oprichter Carl McCoy. Alan Delaney is zijn vervanger. De band maakt in de Gothic gewortelde Rock en past dus in het geheel niet bij datgene wat later zal volgen. Het levert ze slechts beleefd applaus op. Ondanks dat, is mijn interesse gewekt en koop ik na het concert het album What Starts Ends. Delaney is een heel andere zanger dan McCoy. Het spreekt vooral in zijn voordeel. Zijn stem is zowel rauw, donker als melodieus. Het geheel iets toegankelijker makend, zonder de duistere spanning te verliezen die kenmerkend is voor het genre. Klinkend als Play Dead, maar dan zonder de invloeden uit de Post-Punk. Met Before My Eyes wordt er stevig geopend. Inclusief heerlijk pulserende bassen. In Crazed gaat de stem van Delaney door merg en been. Allemaal composities waar Rock en Gothic in balans zijn. Waar het zwarte laagje achterwege wordt gelaten, is het meteen veel minder spannend. Gelukkig komt dat zelden voor. Brave Hearts is een van de spannendste nummers, waar de zware stem van Delaney goed tot zijn recht komt. In Unspoken vormen de bassen een laag die dankzij de delay zo uit een sequencer lijken te komen. Met de titeltrack wordt de plaat afgesloten. Een Gotische mars waar het laagje Rock nog maar flinterdun is. What Starts Ends is een heerlijke plaat die het verdient om aan de vergetelheid ontrukt te worden.

Tropic Of Cancer – Stop Suffering


Via een mixtape ontdek ik het label Blackest Ever Black. Tien jaar geleden opgericht in London. De laatste jaren uitgegroeid tot een plek waar diverse bands de gelegenheid krijgen om hun muziek uit te brengen. Omdat ze zich toeleggen op het meer obscure en donkere werk, zullen vele namen niet direct een belletje doen rinkelen. Dat maakt de speurtocht naar nieuwe muziek alleen maar interessanter. Tropic of Cancer is een band die draait om Camella Lobo. Zeven jaar geleden debuterend op het label met Restless Idylls. Kenmerkend zijn de in galm ondergedompelde vocalen, donkere fundamenten van synthesizers en droge beats uit een ritmebox. Aangevuld met subtiele aanslagen op gitaar, die vaak aan het oudere werk van The Cure doen denken. Met Stop Suffering zet Lobos een volgende stap. De eerder genoemde kenmerken zijn nog steeds aanwezig, maar het devies is nu vooral om niet te blijven hangen in somberheid. Begin opnieuw. Stop suffering. Het resulteert uiteraard niet in een vrolijke plaat, maar hoop is aanstaande. Zo kent het titelnummer bij aanvang opvallend veel dynamiek, waardoor de zang veel beter hoorbaar is. Alsof Camella dwars door de mist voor het eerst echt wil communiceren met de luisteraar. I Woke Up And The Storm Was Over bevat een hypnotiserende beat, die zich lijkt voort te bewegen op een donkere laag van bombastische keyboards en synthesizers. Monotoon, maar toch melodieus. Afsluiter When The Dog Bites combineert ijzige Ambient met een trage beat en abstract resonerende vocalen. Daardoor de brug slaand naar het vroegere werk. Tropic Of Cancer weet met Stop Suffering gevoelens die we vaak relateren aan depressie en hoop, treffend te vertalen naar muziek.

Paradise Lost – 20171107


Paradise Lost is een van de grondleggers van de Doom Metal. Na drie releases neemt zanger Nick Holmes afscheid van het grunten en weet de band met Icon een wat groter publiek te bereiken. De evolutie op One Second en Host naar een nog toegankelijker geluid met invloeden uit de Elektro, wordt daarna door velen niet begrepen. Hierdoor keren ze begin deze eeuw weer terug naar hun roots. Op de laatste twee releases wordt zelfs het grunten opnieuw geïntroduceerd. Niet een stijl waar ik een uitgesproken liefhebber van ben, maar gelukkig gebruikt Holmes ook nog steeds zijn zangstem. Tot mijn verrassing speelt Paradise Lost in de kleine zaal van 013, die niet helemaal uitverkocht is. Het maakt het concert uiteindelijk wel wat intiemer, maar dat moet toch wennen zijn voor deze rockers uit Halifax. Ondanks dat, zet de band vanavond een gevarieerde set neer. Uiteraard spelen ze veel nummers van het recente album Medusa, maar deze worden afgewisseld met een dwarsdoorsnede uit hun omvangrijke oeuvre. Ook oudere releases als Draconian Times en Shades Of God worden niet vergeten. One Second haalt vroeg in de set even de vaart eruit, ook al is het ondertussen voor sommigen een publieksliefhebber geworden. Wellicht was het beter op zijn plek geweest als eerste nummer van de toegift. Gelukkig illustreert  Paradise Lost vanavond ook hoe fraai ze traag hakkende gitaarmuren op kunnen bouwen. Een waar eerbetoon aan het genre dat ze mede zelf vorm hebben gegeven. Vooral het wat langzamere werk geniet de voorkeur. Door ze af te wisselen met nummers als Erased en The Last Time, creëren ze een setlist die prima in balans is. Uiteindelijk zorgt het ervoor dat het publiek, na een wat tam begin, steeds enthousiaster wordt en terug kan kijken op een prima optreden.

Setlist:

  1. From the Gallows
  2. The Enemy
  3. One Second
  4. Gods of Ancient
  5. Enchantment
  6. Erased
  7. Medusa
  8. An Eternity of Lies
  9. Faith Divides Us, Death Unites Us
  10. Blood and Chaos
  11. As I Die
  12. Beneath Broken Earth
  13. The Last Time
  14. No Hope in Sight
  15. The Longest Winter
  16. Say Just Words

This Mortal Coil


This Mortal Coil is een muzikaal project van Ivo Watts-Russell. De oprichter van het platenlabel 4AD. Via deze band presenteert hij artiesten van 4AD onder een gemeenschappelijke noemer. Dead Can Dance en The Cocteau Twins zijn in het oog springende namen, maar ook Tanya Donelly en Kim Deal zijn van de partij. Tussen 1984 en 1991 brengt This Mortal Coil drie albums uit. It’ll End In Tears, Filigree And Shadow en Blood. Watts-Russell richt zich vooral op interpretaties van songs uit de jaren zeventig, waarbij zijn versie van Tim Buckley’s Song To The Siren uiteindelijk het origineel weet te overtreffen dankzij de prachtige vocalen van Elizabeth Fraser. Afgewisseld met vaak donkere en melancholische instrumentale nummers, The Horizon Bleeds And Sucks Its Thumb is wat dat betreft een klassieker, leidt dit ertoe dat de band het stempel Gothic Dream Pop krijgt aangemeten. In 2011 wordt al het materiaal opnieuw opgepoetst en met een extra schijf uitgebracht in een luxe box. Prijstechnisch nogal een investering. Recentelijk is besloten om alle platen ook los uit te brengen. Hierbij kun je je beperken tot de eerder genoemde trilogie omdat Dust And Guitars eigenlijk weinig meer is dan een compilatie van uitgebrachte singles. Vooral de eerste twee albums zijn de moeite waard. Op Blood is het concept wel zo’n beetje uitgewerkt. Ook omdat daar juist die intrinsieke spanning tussen Gothic en Dream Pop enigszins uit het lood raakt, door de lieflijke liedjes meer centraal te stellen. Ondanks dat, toch een noodzakelijke aanschaf omdat daarop een van hun mooiste composities staat. I Come And Stand At Every Door. Geen betere manier om het seizoen van de vallende blaadjes muzikaal te ondergaan.

Dead Can Dance – Anastasis


In 1987 laat Within The Realm Of A Dying Sun van Dead Can Dance een verpletterende indruk achter op menig muziekliefhebber. Een mengeling van Gothic en Wereldmuziek, die in de loop der jaren wat middeleeuwse trekjes meekrijgt. Na de release van het ietwat teleurstellende Spiritchaser in 1996, besluiten Brendan Perry en Lisa Gerrard het voor gezien te houden. In 2005 zijn ze even terug met een wereldtournee, waar ook nieuwe nummers gepresenteerd worden. Composities die niet onder doen voor het oudere werk. Vervolgens storten ze zich opnieuw op hun solo-carrière. Groot is de verrassing als Anastasis wordt aangekondigd. Hebben ze nog iets te melden, vraag je je meteen af. Ja en nee. Opener Children Of The Sun begint nog heel aardig. Helaas zakt de compositie al snel af naar het niveau van een overblijfseltje uit de periode dat Perry het album Ark uitbrengt. Mede dankzij de tenenkrommende teksten. Met Anabasis en Agape revancheren ze zich. Op en top Dead Can Dance met die verwonderende mix van Oosterse klanken in combinatie met de fluwelen stem van Gerrard. Amnesia zou ook zo op een plaat van Perry hebben kunnen staan. En daar wringt een beetje de schoen. Anastasis lijkt soms op een verzameling van afzonderlijk van elkaar gecomponeerde tracks. Onder de gezamenlijke naam gereleased, waarbij vooral Lisa Gerrard indruk maakt. In Kiko en Return Of The She-King krijg je eindelijk het idee naar een gemeenschappelijk album te luisteren. Vooral in het laatstgenoemde nummer, als Brendan en Lisa als vanouds met elkaar vocaal in duel gaan. Anastasis is niet meer zo verrassend als hun vroegere platen waren, maar hier en daar nog steeds enorm indrukwekkend.